Meneer X, 85 jaar, wordt aangemeld via een praktijkondersteuner van een huisarts. Meneer is kortgeleden zijn vrouw verloren, dit was vrij plotseling.

Hij heeft zelf een slechte gezondheid (hart en longen) en al jaren last van onder andere neuropathie, waardoor hij heel slecht loopt. Hoewel dit hem zeer beperkt, hadden zijn vrouw en hij het goed. Tot ze ziek werd. In haar laatste dagen hebben ze verschillende gesprekken met elkaar over hoe het verder moet met meneer nu mevrouw gaat sterven. Het komt er op neer dat hij zijn vrouw heeft beloofd niet te lang aan te modderen en haar zo snel mogelijk achterna te komen, met hulp als dat nodig is.

De praktijkondersteuner, die meneer al lang kent, kan dit deel niet begeleiden, omdat hij vanwege zijn geloof moeite heeft met de vragen die meneer heeft rondom het sterven met hulp. Meneer zelf is niet gelovig, maar wel geïnteresseerd in hoe mensen, zoals hij het zelf zegt ‘chocola maken van het leven’. Hij heeft het daar regelmatig over met een vriend en een buurman.

Hoewel meneer X en zijn vrouw al lang samen waren, was zij niet zijn eerste vrouw. Uit een eerder huwelijk zijn er kinderen, maar met hen is al lang geen contact meer. Meneer heeft het hier eerder heel moeilijk mee gehad, maar heeft het inmiddels achter zich gelaten. Hij was blij met het rustige leven dat hij met zijn laatste vrouw had. Ze waren op elkaar gericht, maar lieten elkaar ook vrij om hun eigen dingen te doen.

Zijn vrouw overlijdt en hij heeft het er heel moeilijk mee. Hij mist haar, maar merkt ook dat er dingen zijn die nu gemakkelijker zijn. Zo houdt hij ervan om luidt muziek te draaien en tijdens ons gesprek worden er net twee grote muziekboxen geleverd die hij midden in de kamer gaat zetten, ‘want dat kan nu’. Meneer heeft hulp voor zijn verzorging, de administratie en voor de huishouding (‘het is hier schoner dan het ooit geweest is’) en aan aanspraak lijkt hij ook niet echt gebrek te hebben. Maar hij worstelt. Hij worstelt vooral met wat hij zijn vrouw beloofd heeft.

Meneer geeft aan zelf ook graag snel te willen sterven, want zijn lichaam begeeft het. Hij heeft hier geen scrupules bij: als hij dat wil, dan moet dat ook gewoon maar kunnen. Ons gesprek gaat dan ook een groot deel over wat je dan vraagt van een huisarts. Ik geef hem wat handvatten om het gesprek met de huisarts open in te gaan, omdat hij eigenlijk geneigd is te zeggen: ‘ik wil euthanasie, dus geef me het gewoon’. Een eerder gesprek hierover met de huisarts liep onder andere daarom ook vast. We hebben het verder over de voorwaarden waaronder euthanasie plaats kan vinden.

Wat me raakt in het gesprek met meneer is de worsteling die ik hoor tussen de belofte aan zijn vrouw, zijn eigen gevoelens van rouw en gemis en het klaar zijn met het moeizame leven dat hij door zijn lichamelijke conditie leidt. Daarnaast zie ik ook een man met een heldere geest en ergens ook een wilskracht om via de relatieve vrijheid die hij nu heeft zijn eigen weg te gaan. We vinden het beide belangrijk wat meer stil te staan bij dit spanningsveld. We spreken af voor een tweede gesprek.

Dit gesprek wordt echter tot twee keer toe afgezegd omdat meneer ziek is en later ook wordt opgenomen in het ziekenhuis met een flinke longontsteking. Toevallig is dit het ziekenhuis waar ik ook werk. Ik ga een paar keer langs bij meneer, maar hij is steeds niet aanspreekbaar. Voordat we elkaar hebben gesproken sterft hij.

Katja Beerman
Geestelijk verzorger